3. Een beperkte set aan varianten

Het derde principe heeft vooral een praktische achtergrond. Het aantal varianten dat onderzocht kan worden moet overzichtelijk zijn én inzicht bieden. Met circa vier varianten is de uitvoering van het onderzoek praktisch mogelijk en kan het onderzoek voldoende diepgang krijgen.

De varianten moeten wel voldoende inzicht geven om de voorkeursvariant samen te kunnen stellen. De varianten moeten een logische samenhang krijgen, waarmee het hele speelveld wordt gedekt. 
De resultaten van het onderzoek moeten inzicht geven in welke onderdelen van het speelveld het goed doen en welke minder. Met dat inzicht kan een nieuwe variant, de voorkeursvariant, worden samengesteld, die over het geheel genomen het beste scoort. Op die wijze wordt met een beperkt aantal varianten toch veel inzicht verkregen voor het onderbouwen van de voorkeursvariant.